Maandag regelen we het papierwerk. Bij het Immigration Office aan Flinders Street wordt ons al toegekende visum in het paspoort gestempeld: we mogen nu officieel een jaar werken en reizen. Op de derde etage van hetzelfde gebouw volgt het Tax File Number, zo geregeld omdat onze paspoorten bij aankomst al zijn gescand. Daarna openen we bij National een bankrekening, want zonder Australische rekening werk je hier niet, en pinnen blijkt minder simpel dan gedacht. Het adres van Sarah en Mike gebruiken we als postadres.
Werk vinden is taaier. Bij het Visitor Centre halen we informatie, ook over werken op boerderijen, en we schrijven ons in bij uitzendbureaus als Geoffrey Nathan Consulting en Manpower. We trekken nette geleende kleren aan voor een goede eerste indruk, en voeren een gesprek met een serieuze vrouw van een bureau onder het genot van een cappuccino in een kroeg in de straat. Maar het wil niet vlotten: we sturen stapels cv’s, bellen lijsten af, en bij de bureaus ben je een nummer, en een lastig nummer ook, want we willen maar tijdelijk werk. Het backpackernetwerk behandelt ons als kinderen die goed moeten luisteren; wij zijn achtentwintig en zesentwintig. De banen die we vinden, via de krant de Edge, zijn allemaal serieus en voor langere tijd, niet geschikt voor wie over een paar weken weer verder wil.
Klote
Na drie weken bij Sarah en Mike, zonder auto en zonder werk, voelen we ons behoorlijk klote. We kunnen niet eeuwig blijven logeren, en zonder eigen vervoer komen we de stad niet uit naar het platteland, waar het echte seizoenswerk zit. Het is de onglamoureuze kant van het reizen: niet de woestijn en het rif, maar een buitenwijk, een telefoon en een stapel afwijzingen.
Bij de uitzendbureaus ben je een nummer, en het backpackernetwerk behandelt je als een kind dat goed moet luisteren; wij zijn achtentwintig en zesentwintig.
Verder in de serie
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.