De rit van Kolda naar Vélingara is een etappe waar ik al lang naar uitkijk, maar die logistiek om een scherpe planning vraagt. De afstand van ruim honderd kilometer over onverhard terrein is in deze hitte voor Mette niet weggelegd. We hebben daarom een compromis georganiseerd: halverwege, in Fafakuru, wordt zij met fiets en al opgepikt door een chauffeur. Zo kunnen we beiden de dag op eigen tempo volbrengen.
Nachtelijk vertrek en de pikkedonkeren piste
Om 05.30 uur is de stad nog in diepe rust. Geen koffie, maar we stuiten op een onverwachte voltreffer: een bakker in Kolda die croissants en pain au chocolat verkoopt die niet zouden misstaan in een Franse stad. Het is de nodige brandstof voor de start in het pikkedonker. Zodra we de piste opdraaien, wordt het fietsen technisch. In het licht van onze koplampen is de grens tussen harde gravel en verraderlijk mul zand nauwelijks zichtbaar. Brommers trekken stofwolken op en de eerste kilometers zijn een gevecht tegen de ondergrond.
Wanneer het licht wordt, verbetert de weg en de sfeer. We rijden door een uitgestrekt en stil bosgebied. Wat ik op dat moment nog niet weet, is dat dit traject tot voor kort als onveilig te boek stond vanwege incidentele ontvoeringen in dit dunbevolkte grensgebied. Het verklaart de afwezigheid van verkeer en de serene, bijna gespannen stilte van het bos. De enige getuigen van onze passage zijn een groep bavianen die luidruchtig de dichte begroeiing in vluchten.
De rode scheidslijn van Fafakuru
Het landschap transformeert onder onze wielen. Het dichte groen van de Casamance maakt plaats voor een opener savanne met bamboe en struikgewas. De architectuur verandert mee: ronde lemen hutten met rieten daken domineren nu het beeld. Elke passerende auto laat een verstikkende wolk rood stof achter die overal in kruipt — in de ketting, de tassen en de longen. Voor Mette, wiens bronchiën protesteren tegen het fijne stof en de hitte, is Fafakuru het eindstation. De geplande chauffeur verschijnt in een rammelende wagen met Shrek-oortjes aan de binnenspiegel. De fiets gaat op het dak; zij kiest voor de koelte, ik voor de resterende zestig kilometer.
Alleen door het land van de lemen hutten
Nu ik alleen rijd, wordt de interactie met de omgeving intenser. De dorpen die ik passeer, ogen sprookjesachtig; groepjes ronde huizen binnen zorgvuldig gevlochten omheiningen. De ontvangst is overweldigend. Vanaf de waterputten en dorpspleinen wordt er gezwaaid en geroepen. Hoewel het visueel schitterend is, voel ik me te bezwaard om te stoppen voor foto’s. De aandacht is al groot genoeg.
In een van de nederzettingen stuit ik op een groep kinderen in witte lompen die zwijgend hun hand uitsteken. Het zijn talibés, koranschoolleerlingen die door hun leraren de straat op worden gestuurd om hun dagelijkse kost bij elkaar te bedelen. Het is een sociaal-religieuze realiteit die schuurt met mijn referentiekader; een knoop in de maag die ik meeneem de resterende kilometers op.
De laatste dertig kilometer naar Vélingara zijn een fysieke proef. De ondergrond wordt steniger, de tegenwind trekt aan en de hitte is onverbiddelijk. Toch is dit de essentie van de reis: fietsen op een plek waar nauwelijks een toerist komt, gedreven door de nieuwsgierigheid naar wat achter de volgende rode bocht ligt. Na 110 kilometer rijd ik Vélingara binnen, het meest oostelijke punt van deze route. Mette wacht al bij hotel Lew Lewal. De piste was zwaar en stoffig, maar landschappelijk de onbetwiste winnaar tot nu toe.