De Chinese munt heet officieel renminbi, het “volksgeld”, maar in de praktijk spreekt iedereen van de yuan, afgekort als CNY of met het teken ¥. In de omgangstaal heet een yuan vaak een kuai. Medio 2026 staat de koers op ongeveer 7,8 yuan voor een euro, wat het rekenen eenvoudig maakt: een bedrag in yuan delen door acht geeft bij benadering het bedrag in euro. Wisselkoersen schommelen, dus voor exacte bedragen loont een snelle controle vlak voor vertrek.
Van contant naar telefoon

Geen enkel aspect van reizen in China is in twintig jaar zo veranderd als betalen. Waar de reiziger in 2005 nog met een dikke bundel biljetten op pad ging en pinautomaten schaars waren, is contant geld nu grotendeels uit het dagelijks leven verdwenen. Betalen gaat via de apps Alipay en WeChat Pay, met het scannen van een QR-code, tot aan de groentekraam en de taxichauffeur toe. Veel kleine ondernemers hebben nauwelijks nog wisselgeld in huis.
Voor buitenlandse reizigers is dat systeem toegankelijker geworden. Sinds kort kan aan beide apps een internationale creditcard worden gekoppeld, zoals Visa of Mastercard. Die koppeling werkt meestal, maar kan haperen of enkele dagen verificatie vergen, en bij te veel pogingen blokkeert een account soms tijdelijk. Het is verstandig de apps vóór vertrek te installeren en in te stellen. Een kleine voorraad contant geld en een fysieke bankkaart voor hotels blijven een nuttige achtervang, want niet elke betaling met een buitenlandse kaart lukt.
Wat dingen kosten

China is geen spotgoedkoop land meer, maar buiten de dure kuststeden blijft reizen er betaalbaar. Een bed in een eenvoudig hostel of een basiskamer kost al snel rond de 80 tot 150 yuan (ongeveer €10 tot €19), terwijl een nettere hotelkamer daar een veelvoud van vraagt. Straateten en een maaltijd in een klein eethuis liggen vaak tussen de 15 en 40 yuan (ongeveer €2 tot €5), wat eten onderweg goedkoop houdt. Het vervoer is de grootste variabele: een lange treinreis in een hardsleeper kost enkele honderden yuan, afhankelijk van afstand en klasse, en is daarmee meestal nog altijd voordelig per gereisde kilometer.
De kosten lopen sterk uiteen tussen oost en west. In de welvarende kuststeden als Shanghai betaalt de reiziger prijzen die richting West-Europa neigen, terwijl in de westelijke provincies eten, slapen en vervoer een stuk goedkoper blijven. Wie het zwaartepunt van de reis in het westen en zuidwesten legt, houdt de uitgaven het best in de hand.
Praktische tips
Geld wisselen kan bij grotere banken en op luchthavens, maar door het mobiele betalen is de behoefte daaraan klein geworden. Een buitenlandse pinpas werkt bij veel, maar niet alle, geldautomaten, dus het loont bij aankomst meteen een werkende automaat te vinden. Fooien zijn in China niet gebruikelijk en worden in gewone eethuizen en taxi’s niet verwacht. Belangrijker dan een dikke portemonnee is een werkende telefoon met opgeladen apps, want zonder die toegang sta je bij de kassa al snel met lege handen.
Het grootste betaalrisico in China is niet zakkenrollerij, maar een telefoon die leeg is op het moment dat de marktkraam alleen nog een QR-code accepteert.