
Tabas is een aangename oasestad, vol bloemen en dadelpalmen, en het is een genot om er in de ochtend doorheen te fietsen. Maar ik vertrek weer vroeg, want de hitte laat zich niet tegenhouden en ik ga opnieuw de woestijn in.

De schachten van de qanats
Dat woestijnland ligt vol gaten en lemen ruïnes. Een deel zijn oude nederzettingen, maar het grootste deel hoort bij de watervoorziening. Kaarsrechte lijnen van ronde putten doorkruisen de vlakte: de schachten van de qanats, de ondergrondse tunnels waarmee het water al eeuwenlang vanuit de bergen naar de oases wordt geleid. Waar de oude tunnels het lieten afweten, zorgt tegenwoordig een betonnen kanaal ervoor dat Tabas zijn water houdt. De grotere ruïnes zijn vermoedelijk oude karavanserais, herinneringen aan de karavaanroutes die hier ooit liepen. Ik ben gefascineerd, en telkens sla ik van de weg af om er eentje van dichtbij te bekijken; bij één indrukwekkende ruïne loop ik een tijd rond, tussen muren die al eeuwen langzaam terugzakken in het zand.
Inmiddels fiets ik met lange mouwen. Deels tegen de zon, maar ook omdat ik in een conservatiever gebied ben beland waar ik liever niet te veel opval. Water is geen probleem; ik kom genoeg kleine stadjes tegen om bij te vullen. Ik rijd altijd met meer dan ik nodig heb, maar de zware waterzak vul ik pas zo laat mogelijk, want elke liter die ik niet mee hoef te sjouwen is er één.

Politiecontroles en tegenwind
Elke dag word ik één of twee keer aangehouden voor een politiecontrole. Zodra ze mijn paspoort zien komt de vraag waar ik heen ga: Mashhad, zeg ik, en daarna Turkmenistan. En waarom ik hier fiets, zo ver van de grote weg? Omdat ik als fietser nu eenmaal de rustige wegen kies. Het is vriendelijk, mijn flessen worden bijgevuld, en ik mag weer verder.
Door de hitte zie ik verder weinig mensen; wie kan, blijft binnen. Ik heb de weg vrijwel voor mezelf, met in de verte een paar kamelen en bergen in ronde tinten bruin en paars. Alleen de wind zit tegen, zoals altijd. De stofhozen die met tientallen tegelijk over de vlakte draaien, laten precies zien welke kant hij op wil, en dat is schuin tegen mij in.
Op mijn GPS zie ik hoeveel kilometer het nog is tot de volgende flauwe bocht, en telkens hoop ik dat de wind daar niet met de weg mee zal draaien; maar in dit weidse dal draait hij altijd netjes mee, en blijft hij dus gewoon tegen.
Tegen de avond kamp ik niet ver van Eshqabad, waar ik nog boodschappen doe. Ik kruip met mijn tent tegen een van de lemen ruïnes aan, om twee redenen: het waait flink en zo sta ik uit de wind, en ik sta er meteen uit het zicht, wat me na alle aandacht van de dag goed uitkomt. De nacht is doodstil, en er is iets bijzonders aan liggen tussen deze eeuwenoude muren, alleen in de woestijn, op een plek die zwaar van geschiedenis is.
Foto’s uit Iran
Meer foto’s uit Iran ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering32. Kamelen, een nijptang en de oase van Tabas
Volgende aflevering ›34. Van bocht naar bochtSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.