
De ene muezzin is de andere niet, en goed afgestelde luidsprekers maken echt wat uit. Om half zes schrikken we wakker van een klik, gevolgd door geruis, gesis en gekraak. Dan begint de zingende oproep. Dat je daar rechtop van in bed zit hoort erbij, maar als tegenprestatie mag je een zuivere stem verwachten. De muezzin van Çaltepe is een vroege vogel die de zangacademie niet heeft afgemaakt, en de luidsprekers boven in de minaret kunnen beter worden afgesteld. Misschien in het volgende dorp.
De burgemeester rijdt ons naar Kesme, drie kwartier dieper de bergen in. We gaan de provincie Antalya uit en Isparta in. Bij de moskee met de glimmende koepel stappen we uit op duizendveertig meter, en de zomer is daar echt voorbij: grauwe lucht, lichte regen, tien graden. Het is koud. Zo hadden we wandelen in Zuid-Turkije ons niet voorgesteld. Het blijft bij een paar spatten, en lopen warmt vanzelf op. We nemen met een knuffel afscheid van Erdinç. Hij was liever meegelopen dan teruggereden naar Çaltepe, waar straks een nieuwe groep de rust komt verstoren.

Het land van de herders
Het eerste uur loopt over karrensporen langs kleine graanveldjes, en daarna wordt het smal en stenig. Het landschap is opnieuw indrukwekkend. Grijze rotsen, en daartussen jeneverbessen die bij ons struiken zijn en hier bomen. Dit is de Griekse jeneverbes, die uitgroeit tot een boom van twintig meter.
Ook dit is een doolhof, met grotten, holtes en overhangende rotsen. Op de plateaus ligt niets dan steen en er groeien knoestige, waarschijnlijk oude jeneverbessen, maar er zitten kommen in het landschap waar het ineens groen is. Dolines heten dat, ingestorte kalkgrotten waarin zich klei verzamelt, en daar staan walnotenbomen. Soms ligt er een laag muurtje in zo’n kom om de klei en het water vast te houden.
Er lopen koeien, schapen en geiten, en af en toe horen we een herder. De mensen wonen in de dorpen; de bergen zijn van de kuddes, met provisorische hutjes en stallen als enige bebouwing.
Op het hoogste punt komen we zo’n hut tegen, opgebouwd uit losse stenen, met twee waterputten ernaast: een open put voor het vee en een afgedekte met een emmertje aan een touw voor de herder. Tussen een boom en een hoge rots hangt een Turkse vlag. Boven heeft de wind vrij spel en het is guur. We kijken uit over grijze vormen die door wind en water zijn uitgeslepen tot scherpe richels, een klovenlandschap in miniatuur dat doorloopt tot aan de horizon. Wie zich hier verstopt wordt niet gevonden.
De roodwitte strepen leiden ons er doorheen, en vandaag staan ze er goed op. Erdinç moet hier met volle potten hebben gelopen, want we raken het pad nauwelijks kwijt. In de afdaling is de kunst juist om de duidelijke paden te negeren: die zijn van de herders, en die gaan een andere kant op dan wij. Waar de verf het laat afweten is er nog altijd het lijntje op mijn horloge. Het afdalen duurt lang en eindigt bij een rivier, en daarna moet het nog één keer omhoog.

Bier uit de keuken
Als we Kasımlar binnenlopen staat er veertien en een halve kilometer op de teller. Het dorp heeft de eerste winkel in drie dagen, en we vullen onze voorraad koekjes en reepjes aan. Onze gastheer is, alweer, de burgemeester van het dorp.
Dat lijkt een patroon maar is waarschijnlijk toeval. Of het hangt samen met hoe deze trail in elkaar zit, aan elkaar geknoopt met kleinschalige accommodaties van mensen die in hun dorp iets betekenen. De burgemeester is er nog niet, dus zijn vrouw ontvangt ons. Het ritueel wil dat zij de thee inschenkt en net zo lang bij ons blijft zitten tot we tevreden zijn. Ze spreekt alleen Turks, dus het gaat met een paar woorden, een paar gebaren en een lach.
Die lach verdwijnt in de loop van de avond. Er komen mannen uit het dorp langs die op het keukenraam kloppen. Het raam schuift open, er gaan bankbiljetten naar binnen en er komt een gevulde plastic zak naar buiten. Na een paar keer weet ik genoeg.
Ik klop ook op het keukenraam. De lach is verdwenen. Midden in de keuken staan honderden blikken opgestapeld, maar ze kijkt me minzaam aan. Ze vindt er duidelijk wat van. Dan opent ze de koelkast en komt terug met een blik honderd procent malt.

Een bierhandeltje in een dorpskeuken is minder gewoon dan het klinkt. Ruim tachtig procent van de Turken drinkt nooit, en met anderhalve liter per hoofd per jaar is het verbruik het laagste van Europa. Winkels mogen alleen tussen zes uur ’s ochtends en tien uur ’s avonds alcohol verkopen, en daar is een vergunning van de gemeente voor nodig. In een dorp als dit heeft niemand die, dus loopt het via een keukenraam.
En dat raam zit in de keuken van de vrouw van de man die in dit dorp over de regels gaat. Zij heeft het handeltje, en ik ben de enige die er niet van mag profiteren.
’s Avonds komt het goed. Ik laat haar eten me goed smaken, en onder een goedkeurende blik schep ik een tweede bord vol en eet het leeg. De lach is gelukkig terug.

Deze verhalen schrijf ik zelf, onderweg, zonder advertenties en zonder sponsor. Vond je het de moeite waard? Dan mag je me trakteren op een koffie of een biertje.
Jeroen
Foto’s uit dit verhaal




Waar deze dag ligt
Reis door Bulgarije en Turkije, nu in Turkije. Bekijk de hele route ›
Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering14. De burgemeester met de verfkwastVolgende aflevering ›Verschijnt binnenkortSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Zonder advertenties
Ik schrijf en fotografeer alles zelf. Vind je het de moeite waard, trakteer me dan op een koffie of een biertje.
Jeroen