Terug in Zhongwei willen we kaartjes kopen naar Liuyuan in Gansu. We zijn goed voorbereid en hebben bestemming, klasse en trein op een briefje geschreven, maar het lukt niet. Hulp is in China nooit ver weg: er is altijd wel iemand die zijn Engels wil oefenen, en zo blijkt dat op dit station niet te reserveren valt. Voor de zeventien uur durende reis zijn we daarom aangewezen op de hard-seat-klasse.
Geen raam, wel een muur
’s Avonds verandert het lege stationsplein in een ontmoetingsplek: de fontein gaat aan, er wordt gegeten, gebadmintond en gevoetvolleyd, en palen vol led-figuren wisselen van kleur als een vuurwerkshow. Een uur voor vertrek persen we ons de overvolle trein in, waar we een paar plekken krijgen, helaas niet aan het raam. Jammer, want we rijden door een kaal en woest landschap met zandduinen aan weerszijden, waar de zone langs het spoor met strostroken is vastgelegd. Hoe verder westwaarts, hoe hoger de bergen, tot we uitkomen in een kale steenwoestijn. In Gansu loopt de Chinese muur kilometers mee, soms nog met lemen wachttorens.
De wondersok
In de trein hangt ondanks de drukte een huiselijke sfeer; het is vakantie, en iedereen is op weg naar huis. Er wordt van alles verkocht, en aan boord wordt een “amazing discovery” aangeprezen.
De demonstratie laat zien dat je aan de wondersok kunt trekken, erin prikken en er met een staalborstel overheen raspen, zonder enige schade.
De show lokt zoveel bravoure uit dat een paar studenten de verkoper met sokken bekogelen. Slapen lukt nauwelijks op een zitplaats, maar om half twee ’s nachts komen we aan in Liuyuan. Met een Chinese delen we een taxi: voor 30 yuan (€3) per persoon rijden we 130 kilometer door de nachtelijke woestijn, en om vier uur staan we in Dunhuang, een plek waar we lang van hebben gedroomd.