Ushguli: torens, vee en een bloemenzee tot je middel

Published: Updated: 0 comments
DelenWhatsAppE-mailFacebook

We lopen de vier gehuchten af waaruit Ushguli bestaat. Auto’s en machines zijn er bijna niet; wel oude huizen, en overal de tientallen verdedigingstorens van platte leisteen die het beeld bepalen in dit smalle, grasgroene dal, waar het smeltwater van de gletsjer doorheen stroomt. De straten staan vol modder, mest en beesten. Varkens met biggen liggen tevreden in de blubber, koeien sjokken achter elkaar van A naar B, grote stieren gebruiken net als wij de straatjes. Hoe de mensen weten welk beest van wie is, blijft een raadsel. ’s Ochtends maken ze verse kaas en brood van eigen melk.

We klauteren tegen een steile helling op, tussen rododendrons en kleine berkjes, naar een ruïne op de heuvel: een halve schiettoren en wat muurresten, alles van leisteen. Vanaf de top, tussen de bloemen en zonder steekvliegen, kijken we een paar honderd meter omlaag op Ushguli, met daarachter de witte muur van Mt. Shkhara, met 5.068 meter de hoogste berg van Georgië.

Het dorp ziet er nog bijna zo uit als vijfhonderd jaar geleden, en mannen maaien met de zeis het hooi voor de lange winter.

Terug in het guesthouse staat een lunch klaar van aardappel met vlees en kaas met brood. Floor gaat daarna naar het museum, dat in een Svan-toren is ondergebracht: tegen tien lari ziet ze daar religieuze voorwerpen uit de elfde en twaalfde eeuw, goud en zilver, fijne figuren op de kruizen, en sieraden van tweeduizend jaar oud.

De klim in de bloemenzee

’s Middags ga ik de bergen in, zonder doel, en volg de paadjes van het vee om zo hoog mogelijk te komen. Ik loop me vast op een rotswand en keer terug naar het gras. Tegen een op het oog niet zo steile helling klauter ik met handen en voeten omhoog; houvast geven de bloemen en grassen zelf. Van beneden lijken de hellingen kort gras, maar in werkelijkheid sta ik tot mijn middel in een bloemenzee die schittert in wit, rood, blauw, paars, roze en geel. Boven de boomgrens wordt die zee alleen maar groter.

Op deze hoogte merk ik de inspanning: veertig stappen, dan een halve minuut hijgen, dan weer veertig. Rond een uur of vier sta ik op ongeveer 3.200 meter, met de gletsjers aan de overkant in zicht en de top van bijna 3.800 meter niet ver meer. Maar ik moet ook nog terug. Afdalen is lastiger dan klimmen, want op de steile helling glijd ik continu weg, dus deels gaat het op mijn achterste, dwars door de bloemen naar beneden. Waar ter wereld kun je zeggen dat je op je kont door de bloemen van een berg naar beneden glijdt? Uitgeput, na twee lange wandelingen, ben ik om zes uur terug bij de kaas, de zelfgebakken pizza en de rode wijn.

Zelf deze route gereden, of plannen in die richting? Ik lees en beantwoord alles.

Laat een reactie achter ›

Mooi verhaal? ☕ Trakteer me op een koffie.

DelenWhatsAppE-mailFacebook

Laat een bericht achter


Meer inspiratie