We worden wakker na een eerste frisse nacht. Naast de tent vinden we ondefinieerbare uitwerpselen. Maurits, had jij last van de chakalaka? Ook ons poep- en pootboek van Namibië biedt geen uitkomst. Was het een onverwachte bezoeker of toch de chakalaka die een ander effect heeft dan bedoeld?
We hoeven vandaag niet ver. Het inmiddels noodgedwongen, maar goed werkende ritme van één nacht bush en één nacht camping bevalt. De campings in Namibië zijn, op een enkele uitzondering na, geen straf. Kamperen op mooie plekken, met daarbij de luxe van een douche, restaurant en vaak een zwembad. Dat laatste blijft opvallend. Namibië is een van de droogste landen ter wereld en een zwembad voelt hier als een luxe die eigenlijk niet vanzelfsprekend is.

Campings en ongelijkheid
Wat ook opvalt, is hoe het werk op de campings en lodges is verdeeld. Het personeel is vrijwel altijd zwart. De manager is vaak wit. De eigenaar is meestal een welgestelde witte Namibiër of, steeds vaker, een buitenlandse investeerder, bijvoorbeeld uit China.
Dat patroon roept vragen op over inkomensverdeling en verhoudingen in het land. Namibië heeft een relatief kleine bevolking van ruim 2,5 miljoen mensen, met een grote meerderheid zwarte Namibiërs en een kleine witte minderheid. Tegelijkertijd behoort het land tot de landen met de grootste inkomensongelijkheid ter wereld, een erfenis van de koloniale periode en de apartheidstijd onder Zuid-Afrika. Dat zie je niet alleen in statistieken, maar ook in het dagelijks beeld langs de weg. Met die gedachten in ons hoofd stappen we weer op de fiets.

Fietsen tussen twee massieven
Het land is leeg. Op het heetst van de dag is er niets om ons heen. Aan de ene horizon ligt het Spitzkoppe-massief nog zichtbaar. Aan de andere kant verschijnt langzaam de Brandberg. We stoppen even en scannen met de verrekijker de volledige horizon. 360 graden leegte. Geen dier te zien.
We fietsen richting de Brandberg, de hoogste berg van Namibië met een top van 2.573 meter. Van een afstand oogt hij als een donkere, massieve blokvorm die weinig detail prijsgeeft. Minder uitgesproken en minder fotogeniek dan de Spitzkoppe, maar wel dominant aanwezig. Hoe dichter we komen, hoe meer je ziet dat het geen enkele berg is, maar een uitgestrekt granieten plateau met diepe insnijdingen en verborgen valleien.
Onderweg komen we af en toe langs eenvoudige hutten met metalen daken, opgebouwd uit golfplaten en houten palen, vaak zonder duidelijke afbakening eromheen. Er ligt weinig omheen, geen erf, geen hek, alleen open land. Het contrast met de lodges en campings is groot. De verschillen in welvaart zijn zichtbaar, zonder dat iemand het hoeft uit te leggen.

Uis en de rand van de wildernis
We komen uit in het plaatsje Uis, ooit een van de belangrijkste tinmijngebieden van Namibië. In de tweede helft van de twintigste eeuw draaide hier een grote mijn die duizenden mensen werk gaf. Na het instorten van de tinprijs in de jaren ’90 kwam de mijn grotendeels stil te liggen en veranderde Uis in een plaats die deels achterbleef met de sporen van die periode. Tegenwoordig wordt er op kleinere schaal weer gemijnd en proberen bewoners er het beste van te maken.
Er wordt gezegd dat hier de echte wildernis begint. Dat het landschap vanaf hier ruiger en leger wordt. Laat maar komen. Ik moet alleen eerst nog even een paar bandjes plakken.
1 comment
Klinkt als mijn beeld van Namibië uit de jaren negentig. Sommige dingen lijken helaas niet te veranderen…
Maar gelukkig is het landschap onveranderd mooi!
Grappig trouwens dat jullie in voormalig tinmijn gebied zitten en ik paar dagen terug de erfenis van voormalige kolenmijnen in Taiwan zag!
Mooie voortzetting van de reis gewenst heren!