
Wie door Otago of over de Canterbury Plains rijdt, kijkt naar een landschap dat er anderhalve eeuw geleden volstrekt anders uitzag. Het grasland is aangelegd, het bos is gekapt of aangeplant, de rivieren zijn gestuwd en de kale hellingen zijn kaal gemaakt. Drie opeenvolgende economieën hebben dat gedaan: goud, hout en vee. Alle drie zijn ze nog aan het landschap af te lezen.
Het goud, en wat er van over is
In 1861 vond Gabriel Read goud in een kloof bij Lawrence in Otago, en binnen een jaar stroomden er duizenden gelukszoekers toe. Dunedin groeide uit tot de grootste en rijkste stad van het land, met een beurs, een universiteit en straten vol victoriaanse gebouwen die er nog staan. In 1865 volgde de westkust, waar het goud in de riviergrinden lag en waar kampen van duizenden mensen in enkele maanden ontstonden en verdwenen.
Onder de goudzoekers waren veel Chinese mijnwerkers, meestal uit Kanton, die op de afgewerkte claims gingen werken die anderen hadden verlaten. Hun aanwezigheid leidde tot openlijke discriminatie, met een hoofdelijke belasting die uitsluitend voor Chinese immigranten gold en die pas in de twintigste eeuw verdween; de Nieuw-Zeelandse regering heeft zich daar in 2002 formeel voor verontschuldigd.
Wat er fysiek van over is, valt op door hoe weinig het is. Langs de Clutha en in Central Otago staan hier en daar een roestige installatie, een stenen fundering en een informatiebordje, en verder niets. De grootste erfenis is indirect: de spoorlijn die voor de goudvelden werd aangelegd, is nu de Otago Central Rail Trail, en de hellingen die met waterkanonnen zijn weggespoeld liggen er nog altijd zo bij.
Het bos dat het veld ruimde
De tweede economie was hout, en die heeft het landschap het grondigst veranderd. In het noorden werd de kauri gekapt, een boom die duizend jaar oud kan worden en waarvan de stammen zonder tak de masten van halve vloten leverden. Elders werd het bos vooral verbrand, niet om het hout maar om het land: as is meststof, en gras groeit op een brandplek sneller dan bos terugkomt.
De cijfers lopen uiteen met de definitie, maar de richting is onomstreden. Vóór de komst van mensen was ruim tachtig procent van Nieuw-Zeeland bebost. Bij de komst van de Europeanen was dat ongeveer de helft, grotendeels door Maori-branden in de drogere oostelijke streken. Tegen het einde van de twintigste eeuw was er van het oorspronkelijke bos ongeveer een kwart van het land over. Wat er in plaats van kwam is deels grasland en deels productiebos: rijen radiata-pijnboom, een Californische soort die hier sneller groeit dan waar ook, in blokken die als een gewas worden geoogst.
Daardoor is de ervaring voor een reiziger zo tweeslachtig. Aan de westkust en in Fiordland staat nog aaneengesloten oerbos, maar daartussen liggen honderden kilometers grasland waar het landschap niet alleen open maar ook leeg aanvoelt.
Schapen, en daarna koeien
De derde economie werd mogelijk gemaakt door een technische uitvinding. In februari 1882 vertrok het zeilschip Dunedin vanuit Port Chalmers met een lading bevroren schapenvlees naar Londen, en de aankomst daarvan in goede staat veranderde het land. Vanaf dat moment kon Nieuw-Zeeland vlees naar de andere kant van de wereld verkopen, en het hele binnenland werd daarop ingericht: hekken, scheerschuren, stations van tienduizenden hectares.
De schapen werden een nationaal cliché, en terecht. In 1982 stonden er zeventig miljoen in het land, tweeëntwintig per inwoner. Dat beeld is inmiddels achterhaald: de kudde is in 2026 geslonken tot ongeveer tweeëntwintig miljoen, nog zo’n viereneenhalf schaap per inwoner, door dalende wolprijzen en doordat land is omgezet naar zuivel en bosbouw.
Die omzetting naar zuivel is de grootste recente verandering, en de meest zichtbare. Op droge vlaktes in Canterbury en Otago, waar van nature geen melkvee kan staan, is sinds de jaren negentig grootschalig geïrrigeerd om het mogelijk te maken. Daarvoor zijn rivieren aangesproken die het nauwelijks kunnen leveren, en de gevolgen voor de waterkwaliteit zijn onderweg te zien: troebel water, algen, en bordjes die waarschuwen tegen zwemmen.
Water als derde grondstof
Diezelfde rivieren zijn ook de elektriciteitsvoorziening. In de Waitaki en de Clutha staat een reeks stuwdammen die het water vasthouden en op piekuren doorlaten, waardoor de waterstand beneden merkbaar stijgt en zakt. En in Fiordland is voor de aluminiumsmelter bij Bluff een centrale in de berg gebouwd met een tunnel naar de zee, waarvoor een onderhoudsweg over de bergen werd aangelegd die nu de enige toegang tot Doubtful Sound is.
Daarmee is het rondje compleet. Een reiziger die hier het gevoel heeft door ongerepte natuur te reizen, rijdt in werkelijkheid door een van de meest grondig omgevormde landschappen ter wereld, waarin de ongerepte delen bewust zijn afgebakend en de rest in iets anders is veranderd.
Zeventig miljoen schapen in 1982, tweeëntwintig miljoen nu, en het gras staat er nog.

Deze gids houd ik zelf bij, zonder advertenties en zonder sponsor. Heeft hij je geholpen? Dan mag je me trakteren op een koffie of een biertje.
Jeroen
Plan je reis
- Overnachten in Nieuw-Zeeland: vergelijk accommodaties ›
- Activiteiten en excursies in Nieuw-Zeeland: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Foto’s uit Nieuw-Zeeland
Meer foto’s uit Nieuw-Zeeland ›




Verder in de reisgids Nieuw-Zeeland
Alle gidsartikelen ›Introductie en plaatsen
Achtergrond
Eens per maand in je inbox
Waar ik onderweg was, wat er nieuw is op de site en één verhaal uit het archief. Geen reclame, afmelden kan altijd.
Zonder advertenties
Deze website draait zonder advertenties en zonder sponsor. Vind je de verhalen en gidsen de moeite waard, trakteer me dan op een koffie of een biertje.
Jeroen