De kans om woestijnolifanten te zien laten we niet lopen. Als de mogelijkheid zich aandient, moet je hem pakken. De camping ligt aan de Aba Huab-rivier. Althans, de droge bedding. We krijgen een update die ons verbaast. Het heeft hier al jaren niet serieus geregend. Af en toe valt er een bui, maar alleen bij uitzonderlijke regen stroomt er een paar dagen water door de rivier.

Toch staan er opvallend veel groene bomen in de bedding. Onder de grond zit nog water. Dat grondwater wordt gebruikt door mensen, maar ook door de lodges en campings die hier steeds vaker verschijnen. Hoe lang dat goed blijft gaan, is de vraag. Zonder regen wordt er alleen maar onttrokken. Voor ons is het vooral relevant omdat dit precies de plek is waar de woestijnolifanten zich ophouden.
In droge periodes blijven ze in de rivierbeddingen, waar nog water en voedsel te vinden is. In natte periodes trekken ze juist verder de bergen in. Ze zijn volledig aangepast aan deze omstandigheden en leggen grote afstanden af tussen voedsel en water.
’s Nachts loopt er een bewaker rond op de camping. Voor de zekerheid. Mocht er een olifant of leeuw langskomen, dan kunnen we via een portofoon hulp inschakelen. We worden niet opgegeten.

Op safari in de Aba Huab
In de ochtend gaan we met een gids op pad. De olifanten bevinden zich zo’n 30 kilometer verderop in de bedding. De woestijnolifanten van Namibië zijn geen aparte soort, maar een aangepaste populatie Afrikaanse savanneolifanten. Ze leven in kleine aantallen in droge gebieden zoals Damaraland en Kaokoland en staan bekend om hun vermogen om lange afstanden af te leggen en met weinig water te overleven.
Voor een safari in zuidelijk Afrika is dit bovendien relatief betaalbaar: 1000 Namibische dollar per persoon voor de ochtend, ongeveer 50 euro. Ter vergelijking: de camping kost 480 Namibische dollar per persoon, zo’n 24 euro. De rit zelf is al een avontuur. We rijden door de brede, zanderige rivierbedding, tussen acacia’s en grote kameeldoornbomen. Sommige bomen zijn tientallen jaren oud en steken hoog boven het landschap uit.

We zijn nog geen twintig minuten onderweg als we een groep struisvogels zien. Een mannetje met zwarte veren en een vrouwtje met een grote groep jongen. Het mannetje broedt ’s nachts, het vrouwtje overdag. Het vrouwtje heeft een grijzige schutkleur en valt daardoor overdag nauwelijks op. Het mannetje absorbeert met zijn donkere verenkleed warmte van de zon, die hij ’s nachts weer afgeeft aan de eieren. Een praktische taakverdeling.
De bedding wordt steeds breder en het landschap opent zich volledig. Rotsen, bergen, zand en vegetatie wisselen elkaar af. Het oogt ruig en leeg, maar tegelijk verrassend levendig. De kleuren zijn intens: rood, geel, bruin en groen. Hier en daar zelfs gele bloemen. Dat lijkt niet te passen bij de droogte, maar zelfs kleine hoeveelheden regen zijn genoeg om het landschap tijdelijk tot leven te wekken.

De eerste olifanten
En dan zien we ze. Een groep van vijf olifanten, rustig bewegend door de bedding. We staan op nog geen tien meter afstand. Ze trekken zich niets van ons aan. De kudde bestaat uit vrouwtjes en jongen. De groep wordt geleid door een ervaren vrouwtje, de matriarch. Mannelijke olifanten leven meestal alleen en sluiten zich alleen tijdelijk aan bij een groep als ze zin hebben in een verzetje.
Iets verderop treffen we een grotere groep. Minstens vijfentwintig dieren, inclusief een volwassen mannetje. Direct is het verschil zichtbaar. Hij is groter, zwaarder en beweegt zich anders door de groep. Hij lijkt andere plannen te hebben, maar de vrouwtjes tonen weinig interesse. De matriarch is ondertussen bezig een jong mannetje op afstand te houden. Zijn aanwezigheid en oplopende hormonen zorgen voor onrust in de groep.
Verder verloopt alles rustig. De dieren eten, trekken bladeren van takken en verwerken zonder moeite de stekelige vegetatie waar wij met onze fietsbanden lek op rijden.

De safari lijkt eindeloos door te gaan. We zien steeds meer olifanten en leren ondertussen hoe ze leven in dit gebied. Wat vooral opvalt, is hoe dicht we kunnen komen. Zonder hek, zonder restricties, midden in hun leefgebied. Het landschap eromheen maakt het nog indrukwekkender. De rivierbedding slingert tussen roodbruine rotsformaties. Niets te leggen. Soms rijden we door en moet het beeld in ons hoofd blijven.
Maar dit is waarvoor we hier zijn.

Terug naar de realiteit
Volledig verzadigd keren we terug naar de camping. De volgende etappe richting Palmwag is bijna 100 kilometer. Dat delen we op in twee dagen. Kamperen in de bush lijkt mogelijk, zonder grote risico’s.
De uitdaging zit ergens anders: eten. We hebben nog voorraden uit Uis, maar willen aanvullen. Op de camping is niets, behalve dure chips in kleine zakjes. Bij de eerste kruising vinden we een winkeltje. Het aanbod is beperkt: bier, cola, sterke drank, snoep en chips. Dat wordt dus lunchen met chips en snoep. Op naar Palmwag.
6 comments
Prachtige ervaring! Mooi beschreven
Wat een verhaal! Alleen i het geen verhaal, maar werkelijkheid voor jullie!!
Gaaf! Kwam er net achter dat je dagboek gewoon actief is – in tegenstelling tot mijn abonnement… En dus dat het goed gaat daar. Inclusief beestenbende!
Ha Lois. Klopt. Ik heb de site helemaal aangepast, maar meldingen nog niet. Goed dat je mijn verhalen hebt gevonden
misschien goed dat site is aangepast, althans dat hoop ik, met oog op SEO etc. Maar voor den bezoeker is het best een uitdaging, die nieuwe layout. Vooral omdat je door die advertenties moet worstelen. Op mijn telefoon verdwaal ik steeds op zoek naar waar ik het volgende verhaal vind… Maar: wel heel veel plezier daar! Wildbeesttechnisch kom je geloof ik wel aan je trekken!
Klopt wat je zegt. Maar de site is work in progress. Ik had niet meer tijd voor ik weg ging. Luxe probleem 😉